doorspoelen
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of doorspoelen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | doorspoelend | und | doorspoeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | doorspoel | doorspoelt | doorspoelt | doorspoelen | doorspoelen | doorspoelen |
| Imperfect | doorspoelde | doorspoelde | doorspoelde | doorspoelden | doorspoelden | doorspoelden |
| Toekomende tijd I | zal doorspoelen | zult doorspoelen | zal doorspoelen | zullen doorspoelen | zullen doorspoelen | zullen doorspoelen |
| Conditionalis I | zou doorspoelen | zou doorspoelen | zou doorspoelen | zouden doorspoelen | zouden doorspoelen | zouden doorspoelen |
| Perfectum | heb doorspoeld | hebt doorspoeld | heeft doorspoeld | hebben doorspoeld | hebben doorspoeld | hebben doorspoeld |
| Voltooid verleden tijd | had doorspoeld | had doorspoeld | had doorspoeld | hadden doorspoeld | hadden doorspoeld | hadden doorspoeld |
| Toekomende tijd II | zal doorspoeld hebben | zult doorspoeld hebben | zal doorspoeld hebben | zullen doorspoeld hebben | zullen doorspoeld hebben | zullen doorspoeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben doorspoeld | zou hebben doorspoeld | zou hebben doorspoeld | zouden hebben doorspoeld | zouden hebben doorspoeld | zouden hebben doorspoeld |
| Imperatief | - | doorspoel | - | - | doorspoelt | - |
- doorsnuffelen
- doorsparen
- doorspekken
- doorspelen
- doorspitten
doorspoelen
- doorspreken
- doorstaan
- doorstappen
- doorsteken
- doorstijgen
- doorstikken
- doorstomen
- doorstoten
- doorstrekken
- doorstrepen
- doorstromen
- doorstuderen
- doorsturen
- doorsturen naar
- doorsukkelen
- doortasten
- doortastend
- doortellen
- doortikken
- doortintelen
- doortocht
- doortochten
- doortrainen
- doortrappen
- doortrapt

