Dutch
Portuguese
Verb forms of doorspelen
| - | door | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | doorspelend | und | doorgespeeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | speel door | speelt door | speelt door | spelen door | spelen door | spelen door |
| Imperfect | speelde door | speelde door | speelde door | speelden door | speelden door | speelden door |
| Toekomende tijd I | zal doorspelen | zult doorspelen | zal doorspelen | zullen doorspelen | zullen doorspelen | zullen doorspelen |
| Conditionalis I | zou doorspelen | zou doorspelen | zou doorspelen | zouden doorspelen | zouden doorspelen | zouden doorspelen |
| Perfectum | heb doorgespeeld | hebt doorgespeeld | heeft doorgespeeld | hebben doorgespeeld | hebben doorgespeeld | hebben doorgespeeld |
| Voltooid verleden tijd | had doorgespeeld | had doorgespeeld | had doorgespeeld | hadden doorgespeeld | hadden doorgespeeld | hadden doorgespeeld |
| Toekomende tijd II | zal doorgespeeld hebben | zult doorgespeeld hebben | zal doorgespeeld hebben | zullen doorgespeeld hebben | zullen doorgespeeld hebben | zullen doorgespeeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben doorgespeeld | zou hebben doorgespeeld | zou hebben doorgespeeld | zouden hebben doorgespeeld | zouden hebben doorgespeeld | zouden hebben doorgespeeld |
| Imperatief | - | speel door | - | - | speelt door | - |
- doorsnijden
- doorsnijding
- doorsnuffelen
- doorsparen
- doorspekken
doorspelen
- doorspitten
- doorspoelen
- doorspreken
- doorstaan
- doorstappen
- doorsteken
- doorstijgen
- doorstikken
- doorstomen
- doorstoten
- doorstrekken
- doorstrepen
- doorstromen
- doorstuderen
- doorsturen
- doorsturen naar
- doorsukkelen
- doortasten
- doortastend
- doortellen
- doortikken
- doortintelen
- doortocht
- doortochten
- doortrainen

