Dutch
Portuguese
Verb forms of doorsmeren
| - | door | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | doorsmerend | und | doorgesmeerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | smeer door | smeert door | smeert door | smeren door | smeren door | smeren door |
| Imperfect | smeerde door | smeerde door | smeerde door | smeerden door | smeerden door | smeerden door |
| Toekomende tijd I | zal doorsmeren | zult doorsmeren | zal doorsmeren | zullen doorsmeren | zullen doorsmeren | zullen doorsmeren |
| Conditionalis I | zou doorsmeren | zou doorsmeren | zou doorsmeren | zouden doorsmeren | zouden doorsmeren | zouden doorsmeren |
| Perfectum | heb doorgesmeerd | hebt doorgesmeerd | heeft doorgesmeerd | hebben doorgesmeerd | hebben doorgesmeerd | hebben doorgesmeerd |
| Voltooid verleden tijd | had doorgesmeerd | had doorgesmeerd | had doorgesmeerd | hadden doorgesmeerd | hadden doorgesmeerd | hadden doorgesmeerd |
| Toekomende tijd II | zal doorgesmeerd hebben | zult doorgesmeerd hebben | zal doorgesmeerd hebben | zullen doorgesmeerd hebben | zullen doorgesmeerd hebben | zullen doorgesmeerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben doorgesmeerd | zou hebben doorgesmeerd | zou hebben doorgesmeerd | zouden hebben doorgesmeerd | zouden hebben doorgesmeerd | zouden hebben doorgesmeerd |
| Imperatief | - | smeer door | - | - | smeert door | - |
- doorslepen
- doorslijten
- doorslikken
- doorslippen
- doorsluizen
doorsmeren
- doorsmeulen
- doorsmokkelen
- doorsnede
- doorsnee
- doorsnijden
- doorsnijding
- doorsnuffelen
- doorsparen
- doorspekken
- doorspelen
- doorspitten
- doorspoelen
- doorspreken
- doorstaan
- doorstappen
- doorsteken
- doorstijgen
- doorstikken
- doorstomen
- doorstoten
- doorstrekken
- doorstrepen
- doorstromen
- doorstuderen
- doorsturen

