Dutch
Portuguese
Verb forms of dichttrekken
| irr. | dicht | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | dichttrekkend | und | dichtgetrokken |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | trek dicht | trekt dicht | trekt dicht | trekken dicht | trekken dicht | trekken dicht |
| Imperfect | trok dicht | trok dicht | trok dicht | trokken dicht | trokken dicht | trokken dicht |
| Toekomende tijd I | zal dichttrekken | zult dichttrekken | zal dichttrekken | zullen dichttrekken | zullen dichttrekken | zullen dichttrekken |
| Conditionalis I | zou dichttrekken | zou dichttrekken | zou dichttrekken | zouden dichttrekken | zouden dichttrekken | zouden dichttrekken |
| Perfectum | heb dichtgetrokken | hebt dichtgetrokken | heeft dichtgetrokken | hebben dichtgetrokken | hebben dichtgetrokken | hebben dichtgetrokken |
| Voltooid verleden tijd | had dichtgetrokken | had dichtgetrokken | had dichtgetrokken | hadden dichtgetrokken | hadden dichtgetrokken | hadden dichtgetrokken |
| Toekomende tijd II | zal dichtgetrokken hebben | zult dichtgetrokken hebben | zal dichtgetrokken hebben | zullen dichtgetrokken hebben | zullen dichtgetrokken hebben | zullen dichtgetrokken hebben |
| Conditionalis II | zou hebben dichtgetrokken | zou hebben dichtgetrokken | zou hebben dichtgetrokken | zouden hebben dichtgetrokken | zouden hebben dichtgetrokken | zouden hebben dichtgetrokken |
| Imperatief | - | trek dicht | - | - | trekt dicht | - |
- dichtstoppen
- dichtstorten
- dichtstrijken
- dichtstuk
- dichttimmeren
dichttrekken
- dichtvallen
- dichtvouwen
- dichtvriezen
- dichtzitten
- dictator
- dictatoriaal
- dictatuur
- dictee
- dicteren
- didactisch
- die
- dieet
- dief
- diefstal
- diefstal met braak
- diefstal met geweldpleging
- diegene die
- diegenen die
- dienaangaande
- dienaar
- dienblad
- dienen
- dienen als
- dienovereenkomstig
- dienst

