Dutch
Portuguese
Verb forms of dichtrijden
| - | dicht | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | dichtrijdend | und | dichtgereden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | rijd dicht | rijdt dicht | rijdt dicht | rijden dicht | rijden dicht | rijden dicht |
| Imperfect | reed dicht | reed dicht | reed dicht | reden dicht | reden dicht | reden dicht |
| Toekomende tijd I | zal dichtrijden | zult dichtrijden | zal dichtrijden | zullen dichtrijden | zullen dichtrijden | zullen dichtrijden |
| Conditionalis I | zou dichtrijden | zou dichtrijden | zou dichtrijden | zouden dichtrijden | zouden dichtrijden | zouden dichtrijden |
| Perfectum | heb dichtgereden | hebt dichtgereden | heeft dichtgereden | hebben dichtgereden | hebben dichtgereden | hebben dichtgereden |
| Voltooid verleden tijd | had dichtgereden | had dichtgereden | had dichtgereden | hadden dichtgereden | hadden dichtgereden | hadden dichtgereden |
| Toekomende tijd II | zal dichtgereden hebben | zult dichtgereden hebben | zal dichtgereden hebben | zullen dichtgereden hebben | zullen dichtgereden hebben | zullen dichtgereden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben dichtgereden | zou hebben dichtgereden | zou hebben dichtgereden | zouden hebben dichtgereden | zouden hebben dichtgereden | zouden hebben dichtgereden |
| Imperatief | - | rijd dicht | - | - | rijdt dicht | - |
- dichtlopen
- dichtmaken
- dichtmetselen
- dichtnaaien
- dichtplakken
dichtrijden
- dichtritsen
- dichtsbijzijnd
- dichtschroeien
- dichtschroeven
- dichtschuiven
- dichtslaan
- dichtslibben
- dichtsluiten
- dichtsmeren
- dichtsmijten
- dichtsnoeren
- dichtspijkeren
- dichtspringen
- dichtst
- dichtstbijzijnd
- dichtstoppen
- dichtstorten
- dichtstrijken
- dichtstuk
- dichttimmeren
- dichttrekken
- dichtvallen
- dichtvouwen
- dichtvriezen
- dichtzitten

