ciseleren
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Verbformen von ciseleren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | ciselerend | und | geciseleerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | ciseleer | ciseleert | ciseleert | ciseleren | ciseleren | ciseleren |
| Imperfect | ciseleerde | ciseleerde | ciseleerde | ciseleerden | ciseleerden | ciseleerden |
| Toekomende tijd I | zal ciseleren | zult ciseleren | zal ciseleren | zullen ciseleren | zullen ciseleren | zullen ciseleren |
| Conditionalis I | zou ciseleren | zou ciseleren | zou ciseleren | zouden ciseleren | zouden ciseleren | zouden ciseleren |
| Perfectum | heb geciseleerd | hebt geciseleerd | heeft geciseleerd | hebben geciseleerd | hebben geciseleerd | hebben geciseleerd |
| Voltooid verleden tijd | had geciseleerd | had geciseleerd | had geciseleerd | hadden geciseleerd | hadden geciseleerd | hadden geciseleerd |
| Toekomende tijd II | zal geciseleerd hebben | zult geciseleerd hebben | zal geciseleerd hebben | zullen geciseleerd hebben | zullen geciseleerd hebben | zullen geciseleerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben geciseleerd | zou hebben geciseleerd | zou hebben geciseleerd | zouden hebben geciseleerd | zouden hebben geciseleerd | zouden hebben geciseleerd |
| Imperatief | - | ciseleer | - | - | ciseleert | - |
- cirkelboog
- cirkelen
- cirkelomtrek
- cirkelvormig
- cirrus
ciseleren
- cisterne
- citaat
- citadel
- citer
- citeren
- citizens band
- citroen
- citroen-
- citroenlimonade
- citroensap
- citroenschil
- citroenzuur
- citronnade
- citrus
- citrus-
- citrusboom
- citrusfruit
- citrusvrucht
- citrusvruchten
- civet
- civetkat
- civiel
- civiel ingenieur
- civiele afdeling van het Hooggerechtshof
- civiele dienst

