chirurg
has 2 meanings
Dutch
English
French
- chiropodist
- chiropodiste
- chiropractica
- chiropracticus
- chiropractor
chirurg
- chirurgie
- chirurgisch
- chirurgische ingreep
- chloor
- chloraal
- chloren
- chloreren
- chlorering
- chloride
- chloroform
- chloroformeren
- chloroformiseren
- chloroformizeren
- chlorofyl
- chocolaatje
- chocolade
- chocoladereep
- choke
- choken
- cholera
- cholerisch
- cholesterol
- choqueren
- choreograaf
- choreografe

