search term:

canoniseren

  has one meaning

Dutch Dutch

canoniseren (godsdienst)

English English

canonize (godsdienst)

German German

heilig sprechen (godsdienst) kanonisieren (godsdienst)

French French

canoniser (godsdienst)

Italian Italian

canonizzare (godsdienst)

Spanish Spanish

canonizar (godsdienst)

Portuguese Portuguese

canonizar (godsdienst)

Swedish Swedish

kanonisera (godsdienst)


Verbformen von canoniseren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord canoniserend und gecanoniseerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens canoniseer canoniseert canoniseert canoniseren canoniseren canoniseren
Imperfect canoniseerde canoniseerde canoniseerde canoniseerden canoniseerden canoniseerden
Toekomende tijd I zal canoniseren zult canoniseren zal canoniseren zullen canoniseren zullen canoniseren zullen canoniseren
Conditionalis I zou canoniseren zou canoniseren zou canoniseren zouden canoniseren zouden canoniseren zouden canoniseren
Perfectum heb gecanoniseerd hebt gecanoniseerd heeft gecanoniseerd hebben gecanoniseerd hebben gecanoniseerd hebben gecanoniseerd
Voltooid verleden tijd had gecanoniseerd had gecanoniseerd had gecanoniseerd hadden gecanoniseerd hadden gecanoniseerd hadden gecanoniseerd
Toekomende tijd II zal gecanoniseerd hebben zult gecanoniseerd hebben zal gecanoniseerd hebben zullen gecanoniseerd hebben zullen gecanoniseerd hebben zullen gecanoniseerd hebben
Conditionalis II zou hebben gecanoniseerd zou hebben gecanoniseerd zou hebben gecanoniseerd zouden hebben gecanoniseerd zouden hebben gecanoniseerd zouden hebben gecanoniseerd
Imperatief - canoniseer - - canoniseert -
translation - canoniseren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000