Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of binnenpraten
| - | binnen | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | binnenpratend | und | binnengepraat |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | praat binnen | praat binnen | praat binnen | praten binnen | praten binnen | praten binnen |
| Imperfect | praatte binnen | praatte binnen | praatte binnen | praatten binnen | praatten binnen | praatten binnen |
| Toekomende tijd I | zal binnenpraten | zult binnenpraten | zal binnenpraten | zullen binnenpraten | zullen binnenpraten | zullen binnenpraten |
| Conditionalis I | zou binnenpraten | zou binnenpraten | zou binnenpraten | zouden binnenpraten | zouden binnenpraten | zouden binnenpraten |
| Perfectum | heb binnengepraat | hebt binnengepraat | heeft binnengepraat | hebben binnengepraat | hebben binnengepraat | hebben binnengepraat |
| Voltooid verleden tijd | had binnengepraat | had binnengepraat | had binnengepraat | hadden binnengepraat | hadden binnengepraat | hadden binnengepraat |
| Toekomende tijd II | zal binnengepraat hebben | zult binnengepraat hebben | zal binnengepraat hebben | zullen binnengepraat hebben | zullen binnengepraat hebben | zullen binnengepraat hebben |
| Conditionalis II | zou hebben binnengepraat | zou hebben binnengepraat | zou hebben binnengepraat | zouden hebben binnengepraat | zouden hebben binnengepraat | zouden hebben binnengepraat |
| Imperatief | - | praat binnen | - | - | praat binnen | - |
- binnenlokken
- binnenloodsen
- binnenlopen
- binnenmarcheren
- binnenplaats
binnenpraten
- binnenpretje
- binnenpretjes hebben
- binnenrijden
- binnenrijven
- binnenroepen
- binnenrollen
- binnenrukken
- binnenscheepvaart
- binnenschieten
- binnenschipper
- binnenschrijden
- binnenshuis
- binnenskamers
- binnensluipen
- binnensmokkelen
- binnensmonds
- binnenspelen
- binnenst
- binnenstad
- binnenstappen
- binnenste
- binnenstebuiten
- binnenstebuiten keren
- binnenstomen
- binnenstormen

