Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of binnenkrijgen
| - | binnen | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | binnenkrijgend | und | binnengekregen |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | krijg binnen | krijgt binnen | krijgt binnen | krijgen binnen | krijgen binnen | krijgen binnen |
| Imperfect | kreeg binnen | kreeg binnen | kreeg binnen | kregen binnen | kregen binnen | kregen binnen |
| Toekomende tijd I | zal binnenkrijgen | zult binnenkrijgen | zal binnenkrijgen | zullen binnenkrijgen | zullen binnenkrijgen | zullen binnenkrijgen |
| Conditionalis I | zou binnenkrijgen | zou binnenkrijgen | zou binnenkrijgen | zouden binnenkrijgen | zouden binnenkrijgen | zouden binnenkrijgen |
| Perfectum | heb binnengekregen | hebt binnengekregen | heeft binnengekregen | hebben binnengekregen | hebben binnengekregen | hebben binnengekregen |
| Voltooid verleden tijd | had binnengekregen | had binnengekregen | had binnengekregen | hadden binnengekregen | hadden binnengekregen | hadden binnengekregen |
| Toekomende tijd II | zal binnengekregen hebben | zult binnengekregen hebben | zal binnengekregen hebben | zullen binnengekregen hebben | zullen binnengekregen hebben | zullen binnengekregen hebben |
| Conditionalis II | zou hebben binnengekregen | zou hebben binnengekregen | zou hebben binnengekregen | zouden hebben binnengekregen | zouden hebben binnengekregen | zouden hebben binnengekregen |
| Imperatief | - | krijg binnen | - | - | krijgt binnen | - |
- binnenkant
- binnenkomen
- binnenkomend
- binnenkomst
- binnenkort
binnenkrijgen
- binnenkruipen
- binnenland
- binnenlands
- binnenlaten
- binnenleiden
- binnenlokken
- binnenloodsen
- binnenlopen
- binnenmarcheren
- binnenplaats
- binnenpraten
- binnenpretje
- binnenpretjes hebben
- binnenrijden
- binnenrijven
- binnenroepen
- binnenrollen
- binnenrukken
- binnenscheepvaart
- binnenschieten
- binnenschipper
- binnenschrijden
- binnenshuis
- binnenskamers
- binnensluipen

