Dutch
Portuguese
Verb forms of bijtreden
| - | bij | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bijtredend | und | bijgetreden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | treed bij | treedt bij | treedt bij | treden bij | treden bij | treden bij |
| Imperfect | trad bij | trad bij | trad bij | traden bij | traden bij | traden bij |
| Toekomende tijd I | zal bijtreden | zult bijtreden | zal bijtreden | zullen bijtreden | zullen bijtreden | zullen bijtreden |
| Conditionalis I | zou bijtreden | zou bijtreden | zou bijtreden | zouden bijtreden | zouden bijtreden | zouden bijtreden |
| Perfectum | ben bijgetreden | bent bijgetreden | is bijgetreden | zijn bijgetreden | zijn bijgetreden | zijn bijgetreden |
| Voltooid verleden tijd | was bijgetreden | was bijgetreden | was bijgetreden | waren bijgetreden | waren bijgetreden | waren bijgetreden |
| Toekomende tijd II | zal bijgetreden zijn | zult bijgetreden zijn | zal bijgetreden zijn | zullen bijgetreden zijn | zullen bijgetreden zijn | zullen bijgetreden zijn |
| Conditionalis II | zou zijn bijgetreden | zou zijn bijgetreden | zou zijn bijgetreden | zouden zijn bijgetreden | zouden zijn bijgetreden | zouden zijn bijgetreden |
| Imperatief | - | treed bij | - | - | treedt bij | - |
- bijtellen
- bijten
- bijten in
- bijtend
- bijtijds
bijtreden
- bijtrekken
- bijvak
- bijval
- bijvallen
- bijverdienen
- bijverdienste
- bijverven
- bijverzekeren
- bijvijlen
- bijvoederen
- bijvoegen
- bijvoeglijk
- bijvoegsel
- bijvoeren
- bijvoorbeeld
- bijvullen
- bijwerken
- bijwerking
- bijwinnen
- bijwonen
- bijwoord
- bijwoordelijk
- bijzaak
- bijzetten
- bijziend

