Dutch
Portuguese
Verb forms of bijsturen
| - | bij | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bijsturend | und | bijgestuurd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | stuur bij | stuurt bij | stuurt bij | sturen bij | sturen bij | sturen bij |
| Imperfect | stuurde bij | stuurde bij | stuurde bij | stuurden bij | stuurden bij | stuurden bij |
| Toekomende tijd I | zal bijsturen | zult bijsturen | zal bijsturen | zullen bijsturen | zullen bijsturen | zullen bijsturen |
| Conditionalis I | zou bijsturen | zou bijsturen | zou bijsturen | zouden bijsturen | zouden bijsturen | zouden bijsturen |
| Perfectum | heb bijgestuurd | hebt bijgestuurd | heeft bijgestuurd | hebben bijgestuurd | hebben bijgestuurd | hebben bijgestuurd |
| Voltooid verleden tijd | had bijgestuurd | had bijgestuurd | had bijgestuurd | hadden bijgestuurd | hadden bijgestuurd | hadden bijgestuurd |
| Toekomende tijd II | zal bijgestuurd hebben | zult bijgestuurd hebben | zal bijgestuurd hebben | zullen bijgestuurd hebben | zullen bijgestuurd hebben | zullen bijgestuurd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben bijgestuurd | zou hebben bijgestuurd | zou hebben bijgestuurd | zouden hebben bijgestuurd | zouden hebben bijgestuurd | zouden hebben bijgestuurd |
| Imperatief | - | stuur bij | - | - | stuurt bij | - |
- bijstellen
- bijstelling
- bijstoppen
- bijstorten
- bijstrijken
bijsturen
- bijtanken
- bijtekenen
- bijtellen
- bijten
- bijten in
- bijtend
- bijtijds
- bijtreden
- bijtrekken
- bijvak
- bijval
- bijvallen
- bijverdienen
- bijverdienste
- bijverven
- bijverzekeren
- bijvijlen
- bijvoederen
- bijvoegen
- bijvoeglijk
- bijvoegsel
- bijvoeren
- bijvoorbeeld
- bijvullen
- bijwerken

