Dutch
Portuguese
Verb forms of bijstorten
| - | bij | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bijstortend | und | bijgestort |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | stort bij | stort bij | stort bij | storten bij | storten bij | storten bij |
| Imperfect | stortte bij | stortte bij | stortte bij | stortten bij | stortten bij | stortten bij |
| Toekomende tijd I | zal bijstorten | zult bijstorten | zal bijstorten | zullen bijstorten | zullen bijstorten | zullen bijstorten |
| Conditionalis I | zou bijstorten | zou bijstorten | zou bijstorten | zouden bijstorten | zouden bijstorten | zouden bijstorten |
| Perfectum | heb bijgestort | hebt bijgestort | heeft bijgestort | hebben bijgestort | hebben bijgestort | hebben bijgestort |
| Voltooid verleden tijd | had bijgestort | had bijgestort | had bijgestort | hadden bijgestort | hadden bijgestort | hadden bijgestort |
| Toekomende tijd II | zal bijgestort hebben | zult bijgestort hebben | zal bijgestort hebben | zullen bijgestort hebben | zullen bijgestort hebben | zullen bijgestort hebben |
| Conditionalis II | zou hebben bijgestort | zou hebben bijgestort | zou hebben bijgestort | zouden hebben bijgestort | zouden hebben bijgestort | zouden hebben bijgestort |
| Imperatief | - | stort bij | - | - | stort bij | - |
- bijstand
- bijsteken
- bijstellen
- bijstelling
- bijstoppen
bijstorten
- bijstrijken
- bijsturen
- bijtanken
- bijtekenen
- bijtellen
- bijten
- bijten in
- bijtend
- bijtijds
- bijtreden
- bijtrekken
- bijvak
- bijval
- bijvallen
- bijverdienen
- bijverdienste
- bijverven
- bijverzekeren
- bijvijlen
- bijvoederen
- bijvoegen
- bijvoeglijk
- bijvoegsel
- bijvoeren
- bijvoorbeeld

