Dutch
English
Swedish
Verb forms of bijeenbinden
| - | bijeen | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bijeenbindend | und | bijeengebonden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bind bijeen | bindt bijeen | bindt bijeen | binden bijeen | binden bijeen | binden bijeen |
| Imperfect | bond bijeen | bond bijeen | bond bijeen | bonden bijeen | bonden bijeen | bonden bijeen |
| Toekomende tijd I | zal bijeenbinden | zult bijeenbinden | zal bijeenbinden | zullen bijeenbinden | zullen bijeenbinden | zullen bijeenbinden |
| Conditionalis I | zou bijeenbinden | zou bijeenbinden | zou bijeenbinden | zouden bijeenbinden | zouden bijeenbinden | zouden bijeenbinden |
| Perfectum | heb bijeengebonden | hebt bijeengebonden | heeft bijeengebonden | hebben bijeengebonden | hebben bijeengebonden | hebben bijeengebonden |
| Voltooid verleden tijd | had bijeengebonden | had bijeengebonden | had bijeengebonden | hadden bijeengebonden | hadden bijeengebonden | hadden bijeengebonden |
| Toekomende tijd II | zal bijeengebonden hebben | zult bijeengebonden hebben | zal bijeengebonden hebben | zullen bijeengebonden hebben | zullen bijeengebonden hebben | zullen bijeengebonden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben bijeengebonden | zou hebben bijeengebonden | zou hebben bijeengebonden | zouden hebben bijeengebonden | zouden hebben bijeengebonden | zouden hebben bijeengebonden |
| Imperatief | - | bind bijeen | - | - | bindt bijeen | - |
- bijdrager
- bijdrukken
- bijeen
- bijeen passen
- bijeenbehoren
bijeenbinden
- bijeenblijven
- bijeenbrengen
- bijeenbrtie
- bijeenbrtijv8
- bijeendrijven
- bijeengaren
- bijeenhalen
- bijeenharken
- bijeenhouden
- bijeenkomen
- bijeenkomst
- bijeenleggen
- bijeenlopen
- bijeenpakken
- bijeenrapen
- bijeenroepen
- bijeenroeping
- bijeenscharrelen
- bijeenschrapen
- bijeensprokkelen
- bijeensteken
- bijeentellen
- bijeentrommelen
- bijeenvegen
- bijeenvoegen

