Dutch Dutch

bijeenbinden (binden)

English English

bind (binden) tie together (binden)

German German

binden (binden) verbinden (binden)

French French

attacher (binden) lier (binden)

Italian Italian

attaccare (binden) legare (binden) unire (binden)

Spanish Spanish

atar (binden) liar (binden)

Portuguese Portuguese

amarrar (binden) atar (binden)

Swedish Swedish

binda (binden) knyta ihop (binden)


Verb forms of bijeenbinden

- bijeen
Tegenwoordig en verleden deelwoord bijeenbindend und bijeengebonden

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens bind bijeen bindt bijeen bindt bijeen binden bijeen binden bijeen binden bijeen
Imperfect bond bijeen bond bijeen bond bijeen bonden bijeen bonden bijeen bonden bijeen
Toekomende tijd I zal bijeenbinden zult bijeenbinden zal bijeenbinden zullen bijeenbinden zullen bijeenbinden zullen bijeenbinden
Conditionalis I zou bijeenbinden zou bijeenbinden zou bijeenbinden zouden bijeenbinden zouden bijeenbinden zouden bijeenbinden
Perfectum heb bijeengebonden hebt bijeengebonden heeft bijeengebonden hebben bijeengebonden hebben bijeengebonden hebben bijeengebonden
Voltooid verleden tijd had bijeengebonden had bijeengebonden had bijeengebonden hadden bijeengebonden hadden bijeengebonden hadden bijeengebonden
Toekomende tijd II zal bijeengebonden hebben zult bijeengebonden hebben zal bijeengebonden hebben zullen bijeengebonden hebben zullen bijeengebonden hebben zullen bijeengebonden hebben
Conditionalis II zou hebben bijeengebonden zou hebben bijeengebonden zou hebben bijeengebonden zouden hebben bijeengebonden zouden hebben bijeengebonden zouden hebben bijeengebonden
Imperatief - bind bijeen - - bindt bijeen -
translation - bijeenbinden translate | Dutch dictionary