bezoldiging
has 2 meanings
Dutch
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
- bezoeker
- bezoekster
- bezolderen
- bezoldigd
- bezoldigen
bezoldiging
- bezomen
- bezopen
- bezorgd
- bezorgd zijn over
- bezorgdheid
- bezorgen
- bezorger
- bezorging
- bezuinigen
- bezuinigen op
- bezuiniging
- bezuren
- bezwaar
- bezwaar hebben
- bezwaar hebben tegen
- bezwaar maken
- bezwaard
- bezwaarlijk
- bezwaarschrift
- bezwadderen
- bezwalken
- bezwangeren
- bezwaren
- bezwaren hebben tegen
- bezwarend

