bezoldigen
has one meaning
Dutch
English
French
Italian
Verb forms of bezoldigen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bezoldigend | und | bezoldigd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bezoldig | bezoldigt | bezoldigt | bezoldigen | bezoldigen | bezoldigen |
| Imperfect | bezoldigde | bezoldigde | bezoldigde | bezoldigden | bezoldigden | bezoldigden |
| Toekomende tijd I | zal bezoldigen | zult bezoldigen | zal bezoldigen | zullen bezoldigen | zullen bezoldigen | zullen bezoldigen |
| Conditionalis I | zou bezoldigen | zou bezoldigen | zou bezoldigen | zouden bezoldigen | zouden bezoldigen | zouden bezoldigen |
| Perfectum | heb bezoldigd | hebt bezoldigd | heeft bezoldigd | hebben bezoldigd | hebben bezoldigd | hebben bezoldigd |
| Voltooid verleden tijd | had bezoldigd | had bezoldigd | had bezoldigd | hadden bezoldigd | hadden bezoldigd | hadden bezoldigd |
| Toekomende tijd II | zal bezoldigd hebben | zult bezoldigd hebben | zal bezoldigd hebben | zullen bezoldigd hebben | zullen bezoldigd hebben | zullen bezoldigd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben bezoldigd | zou hebben bezoldigd | zou hebben bezoldigd | zouden hebben bezoldigd | zouden hebben bezoldigd | zouden hebben bezoldigd |
| Imperatief | - | bezoldig | - | - | bezoldigt | - |
- bezoeken
- bezoeker
- bezoekster
- bezolderen
- bezoldigd
bezoldigen
- bezoldiging
- bezomen
- bezopen
- bezorgd
- bezorgd zijn over
- bezorgdheid
- bezorgen
- bezorger
- bezorging
- bezuinigen
- bezuinigen op
- bezuiniging
- bezuren
- bezwaar
- bezwaar hebben
- bezwaar hebben tegen
- bezwaar maken
- bezwaard
- bezwaarlijk
- bezwaarschrift
- bezwadderen
- bezwalken
- bezwangeren
- bezwaren
- bezwaren hebben tegen

