Dutch Dutch

no translation found for bezolderen


Verb forms of bezolderen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord bezolderend und bezolderd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens bezolder bezoldert bezoldert bezolderen bezolderen bezolderen
Imperfect bezolderde bezolderde bezolderde bezolderden bezolderden bezolderden
Toekomende tijd I zal bezolderen zult bezolderen zal bezolderen zullen bezolderen zullen bezolderen zullen bezolderen
Conditionalis I zou bezolderen zou bezolderen zou bezolderen zouden bezolderen zouden bezolderen zouden bezolderen
Perfectum heb bezolderd hebt bezolderd heeft bezolderd hebben bezolderd hebben bezolderd hebben bezolderd
Voltooid verleden tijd had bezolderd had bezolderd had bezolderd hadden bezolderd hadden bezolderd hadden bezolderd
Toekomende tijd II zal bezolderd hebben zult bezolderd hebben zal bezolderd hebben zullen bezolderd hebben zullen bezolderd hebben zullen bezolderd hebben
Conditionalis II zou hebben bezolderd zou hebben bezolderd zou hebben bezolderd zouden hebben bezolderd zouden hebben bezolderd zouden hebben bezolderd
Imperatief - bezolder - - bezoldert -
translation - bezolderen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000