Dutch Dutch

bewenen (gevoelens)

English English

bemoan (gevoelens) bewail (gevoelens) deplore (gevoelens) grieve (gevoelens) lament (gevoelens) mourn (gevoelens)

German German

bedauern (gevoelens) beklagen (gevoelens) betrauern (gevoelens) beweinen (gevoelens) jammern (gevoelens) trauern um (gevoelens)

French French

avoir pitié de (gevoelens) compatir (gevoelens) déplorer (gevoelens) gémir (gevoelens) plaindre (gevoelens) pleurer (gevoelens) regretter (gevoelens) regretter vivement (gevoelens) s'apitoyer (gevoelens) se lamenter (gevoelens) se lamenter sur (gevoelens) se plaindre (gevoelens) être désolé (gevoelens) être navré (gevoelens)

Italian Italian

commiserare (gevoelens) compiangere (gevoelens) deplorare (gevoelens) dispiacere (gevoelens) dolersi di (gevoelens) essere pieno di rincrescimento (gevoelens) essere rammaricato (gevoelens) lamentare (gevoelens) lamentarsi (gevoelens) partecipare al dolore (gevoelens) piangere (gevoelens) spiacere (gevoelens)

Spanish Spanish

apiadarse de (gevoelens) compadecer (gevoelens) compadecerse de (gevoelens) condolerse de (gevoelens) deplorar (gevoelens) estar arrepentido (gevoelens) estar pesaroso (gevoelens) lamentar (gevoelens) llorar (gevoelens) sentir (gevoelens)

Portuguese Portuguese

comiserar-se (gevoelens) compadecer-se (gevoelens) condoer-se (gevoelens) deplorar (gevoelens) estar desolado (gevoelens) lamentar (gevoelens) lamentar-se (gevoelens) lamuriar-se (gevoelens) lastimar-se (gevoelens) penalizar-se (gevoelens) sentir (gevoelens) solidarizar-se (gevoelens)

Swedish Swedish

begråta (gevoelens) beklaga (gevoelens) djupt beklaga (gevoelens) hysa medlidande med (gevoelens) jämra (gevoelens) jämra sig (gevoelens) klaga (gevoelens) sympatisera (gevoelens) sörja (gevoelens) sörja över (gevoelens) vara bedrövad (gevoelens) ångra (gevoelens) ömka (gevoelens)


Verb forms of bewenen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord bewenend und beweend

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens beween beweent beweent bewenen bewenen bewenen
Imperfect beweende beweende beweende beweenden beweenden beweenden
Toekomende tijd I zal bewenen zult bewenen zal bewenen zullen bewenen zullen bewenen zullen bewenen
Conditionalis I zou bewenen zou bewenen zou bewenen zouden bewenen zouden bewenen zouden bewenen
Perfectum heb beweend hebt beweend heeft beweend hebben beweend hebben beweend hebben beweend
Voltooid verleden tijd had beweend had beweend had beweend hadden beweend hadden beweend hadden beweend
Toekomende tijd II zal beweend hebben zult beweend hebben zal beweend hebben zullen beweend hebben zullen beweend hebben zullen beweend hebben
Conditionalis II zou hebben beweend zou hebben beweend zou hebben beweend zouden hebben beweend zouden hebben beweend zouden hebben beweend
Imperatief - beween - - beweent -
translation - bewenen translate | Dutch dictionary