Dutch Dutch

bewapenen (militair)

English English

arm (militair)

German German

bewaffnen (militair)

French French

armer (militair)

Italian Italian

armare (militair)

Spanish Spanish

armar (militair)

Portuguese Portuguese

armar (militair)

Swedish Swedish

beväpna (militair)


Verb forms of bewapenen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord bewapenend und bewapend

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens bewapen bewapent bewapent bewapenen bewapenen bewapenen
Imperfect bewapende bewapende bewapende bewapenden bewapenden bewapenden
Toekomende tijd I zal bewapenen zult bewapenen zal bewapenen zullen bewapenen zullen bewapenen zullen bewapenen
Conditionalis I zou bewapenen zou bewapenen zou bewapenen zouden bewapenen zouden bewapenen zouden bewapenen
Perfectum heb bewapend hebt bewapend heeft bewapend hebben bewapend hebben bewapend hebben bewapend
Voltooid verleden tijd had bewapend had bewapend had bewapend hadden bewapend hadden bewapend hadden bewapend
Toekomende tijd II zal bewapend hebben zult bewapend hebben zal bewapend hebben zullen bewapend hebben zullen bewapend hebben zullen bewapend hebben
Conditionalis II zou hebben bewapend zou hebben bewapend zou hebben bewapend zouden hebben bewapend zouden hebben bewapend zouden hebben bewapend
Imperatief - bewapen - - bewapent -
translation - bewapenen translate | Dutch dictionary