Dutch Dutch

bevruchten (biologie, geneeskunde)

English English

fertilize (geneeskunde) impregnate (geneeskunde) inseminate (biologie)

German German

befruchten (biologie, geneeskunde)

French French

féconder (biologie, geneeskunde) inséminer (biologie, geneeskunde)

Italian Italian

fecondare (biologie, geneeskunde) inseminare (biologie, geneeskunde)

Spanish Spanish

fecundar (biologie, geneeskunde) impregnar (biologie, geneeskunde) inseminar (biologie, geneeskunde)

Portuguese Portuguese

fecundar (biologie, geneeskunde) inseminar (biologie, geneeskunde)

Swedish Swedish

befrukta (biologie, geneeskunde) inseminera (biologie, geneeskunde)


Verb forms of bevruchten

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord bevruchtend und bevrucht

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens bevrucht bevrucht bevrucht bevruchten bevruchten bevruchten
Imperfect bevruchtte bevruchtte bevruchtte bevruchtten bevruchtten bevruchtten
Toekomende tijd I zal bevruchten zult bevruchten zal bevruchten zullen bevruchten zullen bevruchten zullen bevruchten
Conditionalis I zou bevruchten zou bevruchten zou bevruchten zouden bevruchten zouden bevruchten zouden bevruchten
Perfectum heb bevrucht hebt bevrucht heeft bevrucht hebben bevrucht hebben bevrucht hebben bevrucht
Voltooid verleden tijd had bevrucht had bevrucht had bevrucht hadden bevrucht hadden bevrucht hadden bevrucht
Toekomende tijd II zal bevrucht hebben zult bevrucht hebben zal bevrucht hebben zullen bevrucht hebben zullen bevrucht hebben zullen bevrucht hebben
Conditionalis II zou hebben bevrucht zou hebben bevrucht zou hebben bevrucht zouden hebben bevrucht zouden hebben bevrucht zouden hebben bevrucht
Imperatief - bevrucht - - bevrucht -
translation - bevruchten translate | Dutch dictionary