Dutch Dutch

no translation found for betrouwen


Verbformen von betrouwen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord betrouwend und betrouwd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens betrouw betrouwt betrouwt betrouwen betrouwen betrouwen
Imperfect betrouwde betrouwde betrouwde betrouwden betrouwden betrouwden
Toekomende tijd I zal betrouwen zult betrouwen zal betrouwen zullen betrouwen zullen betrouwen zullen betrouwen
Conditionalis I zou betrouwen zou betrouwen zou betrouwen zouden betrouwen zouden betrouwen zouden betrouwen
Perfectum heb betrouwd hebt betrouwd heeft betrouwd hebben betrouwd hebben betrouwd hebben betrouwd
Voltooid verleden tijd had betrouwd had betrouwd had betrouwd hadden betrouwd hadden betrouwd hadden betrouwd
Toekomende tijd II zal betrouwd hebben zult betrouwd hebben zal betrouwd hebben zullen betrouwd hebben zullen betrouwd hebben zullen betrouwd hebben
Conditionalis II zou hebben betrouwd zou hebben betrouwd zou hebben betrouwd zouden hebben betrouwd zouden hebben betrouwd zouden hebben betrouwd
Imperatief - betrouw - - betrouwt -
translation - betrouwen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000