Dutch Dutch

bemesten (landbouw)

English English

fecundate (landbouw) fertilize (landbouw) make fruitful (landbouw)

German German

fruchtbar machen (landbouw)

French French

fertiliser (landbouw) féconder (landbouw) rendre fertile (landbouw)

Italian Italian

concimare (landbouw) fertilizzare (landbouw)

Spanish Spanish

fecundar (landbouw) fertilizar (landbouw)

Portuguese Portuguese

fecundar (landbouw) fertilizar (landbouw)

Swedish Swedish

göda (landbouw) gödsla (landbouw) göra fruktbar (landbouw)


Verb forms of bemesten

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord bemestend und bemest

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens bemest bemest bemest bemesten bemesten bemesten
Imperfect bemestte bemestte bemestte bemestten bemestten bemestten
Toekomende tijd I zal bemesten zult bemesten zal bemesten zullen bemesten zullen bemesten zullen bemesten
Conditionalis I zou bemesten zou bemesten zou bemesten zouden bemesten zouden bemesten zouden bemesten
Perfectum heb bemest hebt bemest heeft bemest hebben bemest hebben bemest hebben bemest
Voltooid verleden tijd had bemest had bemest had bemest hadden bemest hadden bemest hadden bemest
Toekomende tijd II zal bemest hebben zult bemest hebben zal bemest hebben zullen bemest hebben zullen bemest hebben zullen bemest hebben
Conditionalis II zou hebben bemest zou hebben bemest zou hebben bemest zouden hebben bemest zouden hebben bemest zouden hebben bemest
Imperatief - bemest - - bemest -
translation - bemesten translate | Dutch dictionary