Dutch
Portuguese
Verb forms of bediscuteren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bediscuterend | und | bediscuteerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bediscuteer | bediscuteert | bediscuteert | bediscuteren | bediscuteren | bediscuteren |
| Imperfect | bediscuteerde | bediscuteerde | bediscuteerde | bediscuteerden | bediscuteerden | bediscuteerden |
| Toekomende tijd I | zal bediscuteren | zult bediscuteren | zal bediscuteren | zullen bediscuteren | zullen bediscuteren | zullen bediscuteren |
| Conditionalis I | zou bediscuteren | zou bediscuteren | zou bediscuteren | zouden bediscuteren | zouden bediscuteren | zouden bediscuteren |
| Perfectum | heb bediscuteerd | hebt bediscuteerd | heeft bediscuteerd | hebben bediscuteerd | hebben bediscuteerd | hebben bediscuteerd |
| Voltooid verleden tijd | had bediscuteerd | had bediscuteerd | had bediscuteerd | hadden bediscuteerd | hadden bediscuteerd | hadden bediscuteerd |
| Toekomende tijd II | zal bediscuteerd hebben | zult bediscuteerd hebben | zal bediscuteerd hebben | zullen bediscuteerd hebben | zullen bediscuteerd hebben | zullen bediscuteerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben bediscuteerd | zou hebben bediscuteerd | zou hebben bediscuteerd | zouden hebben bediscuteerd | zouden hebben bediscuteerd | zouden hebben bediscuteerd |
| Imperatief | - | bediscuteer | - | - | bediscuteert | - |
- bedillen
- bedingen
- bedinging
- bediscussieerbaar
- bediscussiëren
bediscuteren
- bediskussiëren
- bediskuteren
- bedisselen
- bedlegerig
- bedlegerigheid
- bedoelen
- bedoeling
- bedoen
- bedoening
- bedoeïen
- bedompt
- bedomptheid
- bedonderen
- bedorven
- bedotten
- bedotterij
- bedrading
- bedrag
- bedragen
- bedreigd
- bedreigen
- bedreiging
- bedremmeld
- bedreven
- bedrevenheid

