Dutch
Portuguese
Verb forms of bastaarderen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bastaarderend | und | gebastaardeerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bastaardeer | bastaardeert | bastaardeert | bastaarderen | bastaarderen | bastaarderen |
| Imperfect | bastaardeerde | bastaardeerde | bastaardeerde | bastaardeerden | bastaardeerden | bastaardeerden |
| Toekomende tijd I | zal bastaarderen | zult bastaarderen | zal bastaarderen | zullen bastaarderen | zullen bastaarderen | zullen bastaarderen |
| Conditionalis I | zou bastaarderen | zou bastaarderen | zou bastaarderen | zouden bastaarderen | zouden bastaarderen | zouden bastaarderen |
| Perfectum | heb gebastaardeerd | hebt gebastaardeerd | heeft gebastaardeerd | hebben gebastaardeerd | hebben gebastaardeerd | hebben gebastaardeerd |
| Voltooid verleden tijd | had gebastaardeerd | had gebastaardeerd | had gebastaardeerd | hadden gebastaardeerd | hadden gebastaardeerd | hadden gebastaardeerd |
| Toekomende tijd II | zal gebastaardeerd hebben | zult gebastaardeerd hebben | zal gebastaardeerd hebben | zullen gebastaardeerd hebben | zullen gebastaardeerd hebben | zullen gebastaardeerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gebastaardeerd | zou hebben gebastaardeerd | zou hebben gebastaardeerd | zouden hebben gebastaardeerd | zouden hebben gebastaardeerd | zouden hebben gebastaardeerd |
| Imperatief | - | bastaardeer | - | - | bastaardeert | - |

