Dutch
Portuguese
Verb forms of banketteren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | banketterend | und | gebanketteerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | banketteer | banketteert | banketteert | banketteren | banketteren | banketteren |
| Imperfect | banketteerde | banketteerde | banketteerde | banketteerden | banketteerden | banketteerden |
| Toekomende tijd I | zal banketteren | zult banketteren | zal banketteren | zullen banketteren | zullen banketteren | zullen banketteren |
| Conditionalis I | zou banketteren | zou banketteren | zou banketteren | zouden banketteren | zouden banketteren | zouden banketteren |
| Perfectum | heb gebanketteerd | hebt gebanketteerd | heeft gebanketteerd | hebben gebanketteerd | hebben gebanketteerd | hebben gebanketteerd |
| Voltooid verleden tijd | had gebanketteerd | had gebanketteerd | had gebanketteerd | hadden gebanketteerd | hadden gebanketteerd | hadden gebanketteerd |
| Toekomende tijd II | zal gebanketteerd hebben | zult gebanketteerd hebben | zal gebanketteerd hebben | zullen gebanketteerd hebben | zullen gebanketteerd hebben | zullen gebanketteerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gebanketteerd | zou hebben gebanketteerd | zou hebben gebanketteerd | zouden hebben gebanketteerd | zouden hebben gebanketteerd | zouden hebben gebanketteerd |
| Imperatief | - | banketteer | - | - | banketteert | - |
- bankdisconto
- banken
- banket
- banketbakker
- banketbakkerij
banketteren
- bankier
- bankieren
- bankierster
- bankje
- bankkaart
- bankkluis
- bankrekening
- bankroet
- bankschroef
- bankwerker
- bankwezen
- bannen
- bantamgewicht
- bantammer
- banvloek
- banvloeken
- baptist
- baptiste
- bar
- bar mitswa
- barak
- baratteren
- barbaar
- barbaars
- barbaarsheid

