Dutch Dutch

no translation found for apporteren


Verb forms of apporteren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord apporterend und geapporteerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens apporteer apporteert apporteert apporteren apporteren apporteren
Imperfect apporteerde apporteerde apporteerde apporteerden apporteerden apporteerden
Toekomende tijd I zal apporteren zult apporteren zal apporteren zullen apporteren zullen apporteren zullen apporteren
Conditionalis I zou apporteren zou apporteren zou apporteren zouden apporteren zouden apporteren zouden apporteren
Perfectum heb geapporteerd hebt geapporteerd heeft geapporteerd hebben geapporteerd hebben geapporteerd hebben geapporteerd
Voltooid verleden tijd had geapporteerd had geapporteerd had geapporteerd hadden geapporteerd hadden geapporteerd hadden geapporteerd
Toekomende tijd II zal geapporteerd hebben zult geapporteerd hebben zal geapporteerd hebben zullen geapporteerd hebben zullen geapporteerd hebben zullen geapporteerd hebben
Conditionalis II zou hebben geapporteerd zou hebben geapporteerd zou hebben geapporteerd zouden hebben geapporteerd zouden hebben geapporteerd zouden hebben geapporteerd
Imperatief - apporteer - - apporteert -
translation - apporteren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000