Dutch
Portuguese
Verb forms of apporteren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | apporterend | und | geapporteerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | apporteer | apporteert | apporteert | apporteren | apporteren | apporteren |
| Imperfect | apporteerde | apporteerde | apporteerde | apporteerden | apporteerden | apporteerden |
| Toekomende tijd I | zal apporteren | zult apporteren | zal apporteren | zullen apporteren | zullen apporteren | zullen apporteren |
| Conditionalis I | zou apporteren | zou apporteren | zou apporteren | zouden apporteren | zouden apporteren | zouden apporteren |
| Perfectum | heb geapporteerd | hebt geapporteerd | heeft geapporteerd | hebben geapporteerd | hebben geapporteerd | hebben geapporteerd |
| Voltooid verleden tijd | had geapporteerd | had geapporteerd | had geapporteerd | hadden geapporteerd | hadden geapporteerd | hadden geapporteerd |
| Toekomende tijd II | zal geapporteerd hebben | zult geapporteerd hebben | zal geapporteerd hebben | zullen geapporteerd hebben | zullen geapporteerd hebben | zullen geapporteerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben geapporteerd | zou hebben geapporteerd | zou hebben geapporteerd | zouden hebben geapporteerd | zouden hebben geapporteerd | zouden hebben geapporteerd |
| Imperatief | - | apporteer | - | - | apporteert | - |
- applaus
- applicatie
- applicator
- appliceren
- appliqueren
apporteren
- appositie
- appreciatie
- appreciëren
- appreteren
- approberen
- approvianderen
- approximatie
- april
- aprilgrap
- aprillen
- aprilvis
- apriori
- apsis
- aquaduct
- aqualong
- aquamarijn
- aquanaut
- aquanaute
- aquaplaning
- aquarel
- aquarelleren
- aquarelverf
- aquarium
- Aquarius
- aquatint

