search term:

anticiperen

  has one meaning, one synonym group and 4 synonyms

Dutch Dutch

anticiperen (handelen voor)

English English

anticipate (handelen voor)

German German

antizipieren (handelen voor)

French French

anticiper (handelen voor)

Italian Italian

anticipare (handelen voor)

Spanish Spanish

anticipar (handelen voor)

Portuguese Portuguese

antecipar (handelen voor) prever (handelen voor)

Swedish Swedish

antecipera (handelen voor) föregripa (handelen voor)


Verb forms of anticiperen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord anticiperend und geanticipeerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens anticipeer anticipeert anticipeert anticiperen anticiperen anticiperen
Imperfect anticipeerde anticipeerde anticipeerde anticipeerden anticipeerden anticipeerden
Toekomende tijd I zal anticiperen zult anticiperen zal anticiperen zullen anticiperen zullen anticiperen zullen anticiperen
Conditionalis I zou anticiperen zou anticiperen zou anticiperen zouden anticiperen zouden anticiperen zouden anticiperen
Perfectum heb geanticipeerd hebt geanticipeerd heeft geanticipeerd hebben geanticipeerd hebben geanticipeerd hebben geanticipeerd
Voltooid verleden tijd had geanticipeerd had geanticipeerd had geanticipeerd hadden geanticipeerd hadden geanticipeerd hadden geanticipeerd
Toekomende tijd II zal geanticipeerd hebben zult geanticipeerd hebben zal geanticipeerd hebben zullen geanticipeerd hebben zullen geanticipeerd hebben zullen geanticipeerd hebben
Conditionalis II zou hebben geanticipeerd zou hebben geanticipeerd zou hebben geanticipeerd zouden hebben geanticipeerd zouden hebben geanticipeerd zouden hebben geanticipeerd
Imperatief - anticipeer - - anticipeert -
translation - anticiperen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000