search term:

amerikaniseren

  has one meaning

Dutch Dutch

amerikaniseren (algemeen)

English English

americanize (algemeen)

German German

amerikanisieren (algemeen)

French French

américaniser (algemeen)

Italian Italian

americanizzare (algemeen)

Spanish Spanish

americanizar (algemeen)

Portuguese Portuguese

americanizar (algemeen)

Swedish Swedish

amerikanisera (algemeen)


Verb forms of amerikaniseren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord amerikaniserend und geamerikaniseerd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens amerikaniseer amerikaniseert amerikaniseert amerikaniseren amerikaniseren amerikaniseren
Imperfect amerikaniseerde amerikaniseerde amerikaniseerde amerikaniseerden amerikaniseerden amerikaniseerden
Toekomende tijd I zal amerikaniseren zult amerikaniseren zal amerikaniseren zullen amerikaniseren zullen amerikaniseren zullen amerikaniseren
Conditionalis I zou amerikaniseren zou amerikaniseren zou amerikaniseren zouden amerikaniseren zouden amerikaniseren zouden amerikaniseren
Perfectum heb geamerikaniseerd hebt geamerikaniseerd heeft geamerikaniseerd hebben geamerikaniseerd hebben geamerikaniseerd hebben geamerikaniseerd
Voltooid verleden tijd had geamerikaniseerd had geamerikaniseerd had geamerikaniseerd hadden geamerikaniseerd hadden geamerikaniseerd hadden geamerikaniseerd
Toekomende tijd II zal geamerikaniseerd hebben zult geamerikaniseerd hebben zal geamerikaniseerd hebben zullen geamerikaniseerd hebben zullen geamerikaniseerd hebben zullen geamerikaniseerd hebben
Conditionalis II zou hebben geamerikaniseerd zou hebben geamerikaniseerd zou hebben geamerikaniseerd zouden hebben geamerikaniseerd zouden hebben geamerikaniseerd zouden hebben geamerikaniseerd
Imperatief - amerikaniseer - - amerikaniseert -
translation - amerikaniseren translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000