afzwemmen
has one meaning
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of afzwemmen
| irr. | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afzwemmend | und | afgezwommen |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zwem af | zwemt af | zwemt af | zwemmen af | zwemmen af | zwemmen af |
| Imperfect | zwom af | zwom af | zwom af | zwommen af | zwommen af | zwommen af |
| Toekomende tijd I | zal afzwemmen | zult afzwemmen | zal afzwemmen | zullen afzwemmen | zullen afzwemmen | zullen afzwemmen |
| Conditionalis I | zou afzwemmen | zou afzwemmen | zou afzwemmen | zouden afzwemmen | zouden afzwemmen | zouden afzwemmen |
| Perfectum | heb afgezwommen | hebt afgezwommen | heeft afgezwommen | hebben afgezwommen | hebben afgezwommen | hebben afgezwommen |
| Voltooid verleden tijd | had afgezwommen | had afgezwommen | had afgezwommen | hadden afgezwommen | hadden afgezwommen | hadden afgezwommen |
| Toekomende tijd II | zal afgezwommen hebben | zult afgezwommen hebben | zal afgezwommen hebben | zullen afgezwommen hebben | zullen afgezwommen hebben | zullen afgezwommen hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgezwommen | zou hebben afgezwommen | zou hebben afgezwommen | zouden hebben afgezwommen | zouden hebben afgezwommen | zouden hebben afgezwommen |
| Imperatief | - | zwem af | - | - | zwemt af | - |
- afzuigkap
- afzuipen
- afzwaaien
- afzwakken
- afzwakking
afzwemmen
- afzwenken
- afzwepen
- afzweren
- afzwering
- afzwerven
- afzweven
- afzwieren
- afzwoegen
- agaat
- agar-agar
- agenda
- agenderen
- agens
- agent
- agente
- ageren
- ageren tegen
- ageren voor
- agglomeratie
- agglutinatie
- agglutineren
- aggregatie
- aggregeren
- agioteren
- agitatie

