afzonderen
has 2 meanings, 2 synonym groups and 4 synonyms
Dutch
Italian
Verb forms of afzonderen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afzonderend | und | afgezonderd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zonder af | zondert af | zondert af | zonderen af | zonderen af | zonderen af |
| Imperfect | zonderde af | zonderde af | zonderde af | zonderden af | zonderden af | zonderden af |
| Toekomende tijd I | zal afzonderen | zult afzonderen | zal afzonderen | zullen afzonderen | zullen afzonderen | zullen afzonderen |
| Conditionalis I | zou afzonderen | zou afzonderen | zou afzonderen | zouden afzonderen | zouden afzonderen | zouden afzonderen |
| Perfectum | heb afgezonderd | hebt afgezonderd | heeft afgezonderd | hebben afgezonderd | hebben afgezonderd | hebben afgezonderd |
| Voltooid verleden tijd | had afgezonderd | had afgezonderd | had afgezonderd | hadden afgezonderd | hadden afgezonderd | hadden afgezonderd |
| Toekomende tijd II | zal afgezonderd hebben | zult afgezonderd hebben | zal afgezonderd hebben | zullen afgezonderd hebben | zullen afgezonderd hebben | zullen afgezonderd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgezonderd | zou hebben afgezonderd | zou hebben afgezonderd | zouden hebben afgezonderd | zouden hebben afgezonderd | zouden hebben afgezonderd |
| Imperatief | - | zonder af | - | - | zondert af | - |

