afzien
has, 2 synonym groups and 7 synonyms
Dutch
Portuguese
Verb forms of afzien
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afziend | und | afgezien |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zie af | ziet af | ziet af | zien af | zien af | zien af |
| Imperfect | zag af | zag af | zag af | zagen af | zagen af | zagen af |
| Toekomende tijd I | zal afzien | zult afzien | zal afzien | zullen afzien | zullen afzien | zullen afzien |
| Conditionalis I | zou afzien | zou afzien | zou afzien | zouden afzien | zouden afzien | zouden afzien |
| Perfectum | heb afgezien | hebt afgezien | heeft afgezien | hebben afgezien | hebben afgezien | hebben afgezien |
| Voltooid verleden tijd | had afgezien | had afgezien | had afgezien | hadden afgezien | hadden afgezien | hadden afgezien |
| Toekomende tijd II | zal afgezien hebben | zult afgezien hebben | zal afgezien hebben | zullen afgezien hebben | zullen afgezien hebben | zullen afgezien hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgezien | zou hebben afgezien | zou hebben afgezien | zouden hebben afgezien | zouden hebben afgezien | zouden hebben afgezien |
| Imperatief | - | zie af | - | - | ziet af | - |
synonyms for afzien
afstappen van, beëindigen, laten schieten, laten varen, opgeven, prijsgeven
lijden
lijden [v]
All Synonyms for afzien
- afzeulen
- afzeven
- afzichtelijk
- afzichtelijkheid
- afzichten
afzien
- afzien van
- afziften
- afzijgen
- afzinken
- afzitten
- afzoden
- afzoeken
- afzoenen
- afzomen
- afzonderen
- afzondering
- afzonderlijk
- afzouten
- afzuchten
- afzuigen
- afzuigkap
- afzuipen
- afzwaaien
- afzwakken
- afzwakking
- afzwemmen
- afzwenken
- afzwepen
- afzweren
- afzwering

