Dutch
Portuguese
Verb forms of afzenden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afzendend | und | afgezonden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zend af | zendt af | zendt af | zenden af | zenden af | zenden af |
| Imperfect | zond af | zond af | zond af | zonden af | zonden af | zonden af |
| Toekomende tijd I | zal afzenden | zult afzenden | zal afzenden | zullen afzenden | zullen afzenden | zullen afzenden |
| Conditionalis I | zou afzenden | zou afzenden | zou afzenden | zouden afzenden | zouden afzenden | zouden afzenden |
| Perfectum | heb afgezonden | hebt afgezonden | heeft afgezonden | hebben afgezonden | hebben afgezonden | hebben afgezonden |
| Voltooid verleden tijd | had afgezonden | had afgezonden | had afgezonden | hadden afgezonden | hadden afgezonden | hadden afgezonden |
| Toekomende tijd II | zal afgezonden hebben | zult afgezonden hebben | zal afgezonden hebben | zullen afgezonden hebben | zullen afgezonden hebben | zullen afgezonden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgezonden | zou hebben afgezonden | zou hebben afgezonden | zouden hebben afgezonden | zouden hebben afgezonden | zouden hebben afgezonden |
| Imperatief | - | zend af | - | - | zendt af | - |
- afzanden
- afzanen
- afzeggen
- afzeilen
- afzemen
afzenden
- afzender
- afzendster
- afzengen
- afzepen
- afzet
- afzetgebied
- afzetster
- afzetten
- afzetter
- afzetterij
- afzetting
- afzettingsgesteente
- afzeulen
- afzeven
- afzichtelijk
- afzichtelijkheid
- afzichten
- afzien
- afzien van
- afziften
- afzijgen
- afzinken
- afzitten
- afzoden
- afzoeken

