Dutch Dutch

no translation found for afzemen


Verb forms of afzemen

- af
Tegenwoordig en verleden deelwoord afzemend und afgezeemd

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens zeem af zeemt af zeemt af zemen af zemen af zemen af
Imperfect zeemde af zeemde af zeemde af zeemden af zeemden af zeemden af
Toekomende tijd I zal afzemen zult afzemen zal afzemen zullen afzemen zullen afzemen zullen afzemen
Conditionalis I zou afzemen zou afzemen zou afzemen zouden afzemen zouden afzemen zouden afzemen
Perfectum heb afgezeemd hebt afgezeemd heeft afgezeemd hebben afgezeemd hebben afgezeemd hebben afgezeemd
Voltooid verleden tijd had afgezeemd had afgezeemd had afgezeemd hadden afgezeemd hadden afgezeemd hadden afgezeemd
Toekomende tijd II zal afgezeemd hebben zult afgezeemd hebben zal afgezeemd hebben zullen afgezeemd hebben zullen afgezeemd hebben zullen afgezeemd hebben
Conditionalis II zou hebben afgezeemd zou hebben afgezeemd zou hebben afgezeemd zouden hebben afgezeemd zouden hebben afgezeemd zouden hebben afgezeemd
Imperatief - zeem af - - zeemt af -
translation - afzemen translate | Dutch dictionary

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000