Dutch
Portuguese
Verb forms of afzemen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afzemend | und | afgezeemd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zeem af | zeemt af | zeemt af | zemen af | zemen af | zemen af |
| Imperfect | zeemde af | zeemde af | zeemde af | zeemden af | zeemden af | zeemden af |
| Toekomende tijd I | zal afzemen | zult afzemen | zal afzemen | zullen afzemen | zullen afzemen | zullen afzemen |
| Conditionalis I | zou afzemen | zou afzemen | zou afzemen | zouden afzemen | zouden afzemen | zouden afzemen |
| Perfectum | heb afgezeemd | hebt afgezeemd | heeft afgezeemd | hebben afgezeemd | hebben afgezeemd | hebben afgezeemd |
| Voltooid verleden tijd | had afgezeemd | had afgezeemd | had afgezeemd | hadden afgezeemd | hadden afgezeemd | hadden afgezeemd |
| Toekomende tijd II | zal afgezeemd hebben | zult afgezeemd hebben | zal afgezeemd hebben | zullen afgezeemd hebben | zullen afgezeemd hebben | zullen afgezeemd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgezeemd | zou hebben afgezeemd | zou hebben afgezeemd | zouden hebben afgezeemd | zouden hebben afgezeemd | zouden hebben afgezeemd |
| Imperatief | - | zeem af | - | - | zeemt af | - |
- afzakken
- afzanden
- afzanen
- afzeggen
- afzeilen
afzemen
- afzenden
- afzender
- afzendster
- afzengen
- afzepen
- afzet
- afzetgebied
- afzetster
- afzetten
- afzetter
- afzetterij
- afzetting
- afzettingsgesteente
- afzeulen
- afzeven
- afzichtelijk
- afzichtelijkheid
- afzichten
- afzien
- afzien van
- afziften
- afzijgen
- afzinken
- afzitten
- afzoden

