Dutch
Portuguese
Verb forms of afzanden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afzandend | und | afgezand |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zand af | zandt af | zandt af | zanden af | zanden af | zanden af |
| Imperfect | zandde af | zandde af | zandde af | zandden af | zandden af | zandden af |
| Toekomende tijd I | zal afzanden | zult afzanden | zal afzanden | zullen afzanden | zullen afzanden | zullen afzanden |
| Conditionalis I | zou afzanden | zou afzanden | zou afzanden | zouden afzanden | zouden afzanden | zouden afzanden |
| Perfectum | heb afgezand | hebt afgezand | heeft afgezand | hebben afgezand | hebben afgezand | hebben afgezand |
| Voltooid verleden tijd | had afgezand | had afgezand | had afgezand | hadden afgezand | hadden afgezand | hadden afgezand |
| Toekomende tijd II | zal afgezand hebben | zult afgezand hebben | zal afgezand hebben | zullen afgezand hebben | zullen afgezand hebben | zullen afgezand hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgezand | zou hebben afgezand | zou hebben afgezand | zouden hebben afgezand | zouden hebben afgezand | zouden hebben afgezand |
| Imperatief | - | zand af | - | - | zandt af | - |
- afzabbelen
- afzabberen
- afzadelen
- afzagen
- afzakken
afzanden
- afzanen
- afzeggen
- afzeilen
- afzemen
- afzenden
- afzender
- afzendster
- afzengen
- afzepen
- afzet
- afzetgebied
- afzetster
- afzetten
- afzetter
- afzetterij
- afzetting
- afzettingsgesteente
- afzeulen
- afzeven
- afzichtelijk
- afzichtelijkheid
- afzichten
- afzien
- afzien van
- afziften

