Dutch
Portuguese
Verb forms of afvissen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afvissend | und | afgevist |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | vis af | vist af | vist af | vissen af | vissen af | vissen af |
| Imperfect | viste af | viste af | viste af | visten af | visten af | visten af |
| Toekomende tijd I | zal afvissen | zult afvissen | zal afvissen | zullen afvissen | zullen afvissen | zullen afvissen |
| Conditionalis I | zou afvissen | zou afvissen | zou afvissen | zouden afvissen | zouden afvissen | zouden afvissen |
| Perfectum | heb afgevist | hebt afgevist | heeft afgevist | hebben afgevist | hebben afgevist | hebben afgevist |
| Voltooid verleden tijd | had afgevist | had afgevist | had afgevist | hadden afgevist | hadden afgevist | hadden afgevist |
| Toekomende tijd II | zal afgevist hebben | zult afgevist hebben | zal afgevist hebben | zullen afgevist hebben | zullen afgevist hebben | zullen afgevist hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgevist | zou hebben afgevist | zou hebben afgevist | zouden hebben afgevist | zouden hebben afgevist | zouden hebben afgevist |
| Imperatief | - | vis af | - | - | vist af | - |
- afvezelen
- afvijlen
- afvijzen
- afvillen
- afvinken
afvissen
- afvlaggen
- afvlakken
- afvleien
- afvlekken
- afvlieden
- afvliegen
- afvloeien
- afvloeiing
- afvlotten
- afvluchten
- afvoegen
- afvoer
- afvoerbuis
- afvoeren
- afvoerkanaal
- afvoerontstopper
- afvoerpijp
- afvoerriool
- afvorderen
- afvormen
- afvragen
- afvreten
- afvriezen
- afvrijen
- afvullen

