Dutch
Portuguese
Verb forms of afspieden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afspiedend | und | afgespied |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | spied af | spiedt af | spiedt af | spieden af | spieden af | spieden af |
| Imperfect | spiedde af | spiedde af | spiedde af | spiedden af | spiedden af | spiedden af |
| Toekomende tijd I | zal afspieden | zult afspieden | zal afspieden | zullen afspieden | zullen afspieden | zullen afspieden |
| Conditionalis I | zou afspieden | zou afspieden | zou afspieden | zouden afspieden | zouden afspieden | zouden afspieden |
| Perfectum | heb afgespied | hebt afgespied | heeft afgespied | hebben afgespied | hebben afgespied | hebben afgespied |
| Voltooid verleden tijd | had afgespied | had afgespied | had afgespied | hadden afgespied | hadden afgespied | hadden afgespied |
| Toekomende tijd II | zal afgespied hebben | zult afgespied hebben | zal afgespied hebben | zullen afgespied hebben | zullen afgespied hebben | zullen afgespied hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgespied | zou hebben afgespied | zou hebben afgespied | zouden hebben afgespied | zouden hebben afgespied | zouden hebben afgespied |
| Imperatief | - | spied af | - | - | spiedt af | - |
- afspatten
- afspelden
- afspelen
- afspeten
- afspeuren
afspieden
- afspiegelen
- afspiegeling
- afspinnen
- afspioneren
- afspitten
- afsplijten
- afsplinteren
- afsplitsen
- afspoelen
- afsponsen
- afsponzen
- afsporen
- afspraak
- afspraak tussen onbekende man en vrouw
- afspraakje
- afspraakjes hebben
- afspreken
- afspringen
- afspruiten
- afspuiten
- afspurten
- afstaan
- afstammeling
- afstammelinge
- afstammelingen

