Dutch
Portuguese
Verbformen von afsollen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afsollend | und | afgesold |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | sol af | solt af | solt af | sollen af | sollen af | sollen af |
| Imperfect | solde af | solde af | solde af | solden af | solden af | solden af |
| Toekomende tijd I | zal afsollen | zult afsollen | zal afsollen | zullen afsollen | zullen afsollen | zullen afsollen |
| Conditionalis I | zou afsollen | zou afsollen | zou afsollen | zouden afsollen | zouden afsollen | zouden afsollen |
| Perfectum | heb afgesold | hebt afgesold | heeft afgesold | hebben afgesold | hebben afgesold | hebben afgesold |
| Voltooid verleden tijd | had afgesold | had afgesold | had afgesold | hadden afgesold | hadden afgesold | hadden afgesold |
| Toekomende tijd II | zal afgesold hebben | zult afgesold hebben | zal afgesold hebben | zullen afgesold hebben | zullen afgesold hebben | zullen afgesold hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgesold | zou hebben afgesold | zou hebben afgesold | zouden hebben afgesold | zouden hebben afgesold | zouden hebben afgesold |
| Imperatief | - | sol af | - | - | solt af | - |
- afsnoepen
- afsnoeren
- afsnorren
- afsnuffelen
- afsnuiten
afsollen
- afsoppen
- afspaden
- afspanen
- afspannen
- afspatten
- afspelden
- afspelen
- afspeten
- afspeuren
- afspieden
- afspiegelen
- afspiegeling
- afspinnen
- afspioneren
- afspitten
- afsplijten
- afsplinteren
- afsplitsen
- afspoelen
- afsponsen
- afsponzen
- afsporen
- afspraak
- afspraak tussen onbekende man en vrouw
- afspraakje

