Dutch
Portuguese
Verb forms of afsnipperen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afsnipperend | und | afgesnipperd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | snipper af | snippert af | snippert af | snipperen af | snipperen af | snipperen af |
| Imperfect | snipperde af | snipperde af | snipperde af | snipperden af | snipperden af | snipperden af |
| Toekomende tijd I | zal afsnipperen | zult afsnipperen | zal afsnipperen | zullen afsnipperen | zullen afsnipperen | zullen afsnipperen |
| Conditionalis I | zou afsnipperen | zou afsnipperen | zou afsnipperen | zouden afsnipperen | zouden afsnipperen | zouden afsnipperen |
| Perfectum | heb afgesnipperd | hebt afgesnipperd | heeft afgesnipperd | hebben afgesnipperd | hebben afgesnipperd | hebben afgesnipperd |
| Voltooid verleden tijd | had afgesnipperd | had afgesnipperd | had afgesnipperd | hadden afgesnipperd | hadden afgesnipperd | hadden afgesnipperd |
| Toekomende tijd II | zal afgesnipperd hebben | zult afgesnipperd hebben | zal afgesnipperd hebben | zullen afgesnipperd hebben | zullen afgesnipperd hebben | zullen afgesnipperd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgesnipperd | zou hebben afgesnipperd | zou hebben afgesnipperd | zouden hebben afgesnipperd | zouden hebben afgesnipperd | zouden hebben afgesnipperd |
| Imperatief | - | snipper af | - | - | snippert af | - |
- afsnauwen
- afsnellen
- afsnijden
- afsnijden van
- afsnijding
afsnipperen
- afsnoeien
- afsnoepen
- afsnoeren
- afsnorren
- afsnuffelen
- afsnuiten
- afsollen
- afsoppen
- afspaden
- afspanen
- afspannen
- afspatten
- afspelden
- afspelen
- afspeten
- afspeuren
- afspieden
- afspiegelen
- afspiegeling
- afspinnen
- afspioneren
- afspitten
- afsplijten
- afsplinteren
- afsplitsen

