afsnijding
has one meaning
Dutch
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
- afsmijten
- afsnauwen
- afsnellen
- afsnijden
- afsnijden van
afsnijding
- afsnipperen
- afsnoeien
- afsnoepen
- afsnoeren
- afsnorren
- afsnuffelen
- afsnuiten
- afsollen
- afsoppen
- afspaden
- afspanen
- afspannen
- afspatten
- afspelden
- afspelen
- afspeten
- afspeuren
- afspieden
- afspiegelen
- afspiegeling
- afspinnen
- afspioneren
- afspitten
- afsplijten
- afsplinteren

