afsnijden
has 3 meanings, 3 synonym groups and 3 synonyms
Dutch
English
German
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of afsnijden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afsnijdend | und | afgesneden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | snijd af | snijdt af | snijdt af | snijden af | snijden af | snijden af |
| Imperfect | sneed af | sneed af | sneed af | sneden af | sneden af | sneden af |
| Toekomende tijd I | zal afsnijden | zult afsnijden | zal afsnijden | zullen afsnijden | zullen afsnijden | zullen afsnijden |
| Conditionalis I | zou afsnijden | zou afsnijden | zou afsnijden | zouden afsnijden | zouden afsnijden | zouden afsnijden |
| Perfectum | heb afgesneden | hebt afgesneden | heeft afgesneden | hebben afgesneden | hebben afgesneden | hebben afgesneden |
| Voltooid verleden tijd | had afgesneden | had afgesneden | had afgesneden | hadden afgesneden | hadden afgesneden | hadden afgesneden |
| Toekomende tijd II | zal afgesneden hebben | zult afgesneden hebben | zal afgesneden hebben | zullen afgesneden hebben | zullen afgesneden hebben | zullen afgesneden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgesneden | zou hebben afgesneden | zou hebben afgesneden | zouden hebben afgesneden | zouden hebben afgesneden | zouden hebben afgesneden |
| Imperatief | - | snijd af | - | - | snijdt af | - |
synonyms for afsnijden
- afsmeren
- afsmetten
- afsmijten
- afsnauwen
- afsnellen
afsnijden
- afsnijden van
- afsnijding
- afsnipperen
- afsnoeien
- afsnoepen
- afsnoeren
- afsnorren
- afsnuffelen
- afsnuiten
- afsollen
- afsoppen
- afspaden
- afspanen
- afspannen
- afspatten
- afspelden
- afspelen
- afspeten
- afspeuren
- afspieden
- afspiegelen
- afspiegeling
- afspinnen
- afspioneren
- afspitten

