Dutch
Portuguese
Verb forms of afsmelten
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afsmeltend | und | afgesmolten |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | smelt af | smelt af | smelt af | smelten af | smelten af | smelten af |
| Imperfect | smolt af | smolt af | smolt af | smolten af | smolten af | smolten af |
| Toekomende tijd I | zal afsmelten | zult afsmelten | zal afsmelten | zullen afsmelten | zullen afsmelten | zullen afsmelten |
| Conditionalis I | zou afsmelten | zou afsmelten | zou afsmelten | zouden afsmelten | zouden afsmelten | zouden afsmelten |
| Perfectum | heb afgesmolten | hebt afgesmolten | heeft afgesmolten | hebben afgesmolten | hebben afgesmolten | hebben afgesmolten |
| Voltooid verleden tijd | had afgesmolten | had afgesmolten | had afgesmolten | hadden afgesmolten | hadden afgesmolten | hadden afgesmolten |
| Toekomende tijd II | zal afgesmolten hebben | zult afgesmolten hebben | zal afgesmolten hebben | zullen afgesmolten hebben | zullen afgesmolten hebben | zullen afgesmolten hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgesmolten | zou hebben afgesmolten | zou hebben afgesmolten | zouden hebben afgesmolten | zouden hebben afgesmolten | zouden hebben afgesmolten |
| Imperatief | - | smelt af | - | - | smelt af | - |
- afsluiten
- afslurpen
- afsmakken
- afsmeden
- afsmeken
afsmelten
- afsmeren
- afsmetten
- afsmijten
- afsnauwen
- afsnellen
- afsnijden
- afsnijden van
- afsnijding
- afsnipperen
- afsnoeien
- afsnoepen
- afsnoeren
- afsnorren
- afsnuffelen
- afsnuiten
- afsollen
- afsoppen
- afspaden
- afspanen
- afspannen
- afspatten
- afspelden
- afspelen
- afspeten
- afspeuren

