afsmeken
has one meaning
Dutch
Verb forms of afsmeken
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afsmekend | und | afgesmeekt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | smeek af | smeekt af | smeekt af | smeken af | smeken af | smeken af |
| Imperfect | smeekte af | smeekte af | smeekte af | smeekten af | smeekten af | smeekten af |
| Toekomende tijd I | zal afsmeken | zult afsmeken | zal afsmeken | zullen afsmeken | zullen afsmeken | zullen afsmeken |
| Conditionalis I | zou afsmeken | zou afsmeken | zou afsmeken | zouden afsmeken | zouden afsmeken | zouden afsmeken |
| Perfectum | heb afgesmeekt | hebt afgesmeekt | heeft afgesmeekt | hebben afgesmeekt | hebben afgesmeekt | hebben afgesmeekt |
| Voltooid verleden tijd | had afgesmeekt | had afgesmeekt | had afgesmeekt | hadden afgesmeekt | hadden afgesmeekt | hadden afgesmeekt |
| Toekomende tijd II | zal afgesmeekt hebben | zult afgesmeekt hebben | zal afgesmeekt hebben | zullen afgesmeekt hebben | zullen afgesmeekt hebben | zullen afgesmeekt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgesmeekt | zou hebben afgesmeekt | zou hebben afgesmeekt | zouden hebben afgesmeekt | zouden hebben afgesmeekt | zouden hebben afgesmeekt |
| Imperatief | - | smeek af | - | - | smeekt af | - |
- afsluipen
- afsluiten
- afslurpen
- afsmakken
- afsmeden
afsmeken
- afsmelten
- afsmeren
- afsmetten
- afsmijten
- afsnauwen
- afsnellen
- afsnijden
- afsnijden van
- afsnijding
- afsnipperen
- afsnoeien
- afsnoepen
- afsnoeren
- afsnorren
- afsnuffelen
- afsnuiten
- afsollen
- afsoppen
- afspaden
- afspanen
- afspannen
- afspatten
- afspelden
- afspelen
- afspeten

