search term:

afsluiten

  has 10 meanings, 5 synonym groups and 8 synonyms

Dutch Dutch

afsluiten (algemeen, kraan, transactie, contract, verzekering, deur, subject, elektriciteit, gebouw, afzonderen)

English English

block up (algemeen) bring to a conclusion (subject) close (subject, transactie) conclude (contract, subject) finish (subject) isolate (afzonderen) lock (deur) lock up (gebouw) occlude (algemeen) settle (subject) shut off (afzonderen, elektriciteit) turn off (kraan) underwrite (verzekering) wrap up (transactie)

German German

abschalten (elektriciteit, kraan) abschließen (algemeen, gebouw, subject, transactie) absondern (afzonderen) absperren (afzonderen) abstellen (kraan) erledigen (subject) schließen (deur, subject) tätigen (contract) unterzeichnen (verzekering) verschließen (algemeen, deur) zu einem Schluss bringen (subject) zudrehen (kraan)

French French

conclure (algemeen, contract, gebouw, subject, transactie) couper (elektriciteit, kraan) fermer (deur, elektriciteit, kraan, subject) fermer à clef (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) isoler (afzonderen) liquider (algemeen, gebouw, subject, transactie) mener à bonne fin (algemeen, gebouw, subject, transactie) occlure (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) régler (algemeen, gebouw, subject, transactie) se fermer (deur, subject) souscrire (verzekering) séparer (afzonderen) terminer (deur, subject) trancher (algemeen, gebouw, subject, transactie)

Italian Italian

bloccare (afzonderen) chiudere (algemeen, deur, elektriciteit, gebouw, kraan, subject, transactie) chiudere a chiave (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) chiudere il passaggio (afzonderen) chiudersi (deur, subject) concludere (algemeen, contract, gebouw, subject, transactie) definire (algemeen, gebouw, subject, transactie) occludere (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) ostruire (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) porre fine a (algemeen, gebouw, subject, transactie) porre termine a (deur, subject) sistemare (algemeen, gebouw, subject, transactie) sottoscrivere (verzekering) tagliare (elektriciteit, kraan)

Spanish Spanish

aislar (afzonderen) apartar (afzonderen) cerrar (algemeen, deur, elektriciteit, gebouw, kraan, subject, transactie) cerrar con llave (algemeen, deur, subject) cerrarse (deur, subject) concluir (algemeen, contract, deur, gebouw, subject, transactie) cortar (elektriciteit, kraan) dejar bajo llave (algemeen, gebouw, subject, transactie) finalizar (algemeen, gebouw, subject, transactie) obstruir (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) suscribir (verzekering) terminar (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie)

Portuguese Portuguese

chegar a uma conclusão (algemeen, gebouw, subject, transactie) concluir (algemeen, contract, gebouw, subject, transactie) cortar (elektriciteit, kraan) desligar (elektriciteit, kraan) fechar (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) fechar à chave (algemeen, gebouw, subject, transactie) finalizar (algemeen, gebouw, subject, transactie) isolar (afzonderen) obstruir (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) segurar (verzekering) selar (algemeen, gebouw, subject, transactie) separar (afzonderen) tapar (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) terminar (deur, subject) trancar (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie)

Swedish Swedish

avgöra (algemeen, gebouw, subject, transactie) avsluta (algemeen, contract, deur, gebouw, subject, transactie) göra upp (algemeen, gebouw, subject, transactie) isolera (afzonderen) låsa (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) skruva av (elektriciteit, kraan) sluta (deur, subject) slutföra (algemeen, gebouw, subject, transactie) stänga (deur, subject) stänga av (elektriciteit, kraan) stänga till (algemeen, gebouw, subject, transactie) stängas (deur, subject) teckna (verzekering) tillsluta (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) täppa till (algemeen, deur, gebouw, subject, transactie) utestänga (afzonderen) vrida av (elektriciteit, kraan)


Verb forms of afsluiten

- af
Tegenwoordig en verleden deelwoord afsluitend und afgesloten

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens sluit af sluit af sluit af sluiten af sluiten af sluiten af
Imperfect sloot af sloot af sloot af sloten af sloten af sloten af
Toekomende tijd I zal afsluiten zult afsluiten zal afsluiten zullen afsluiten zullen afsluiten zullen afsluiten
Conditionalis I zou afsluiten zou afsluiten zou afsluiten zouden afsluiten zouden afsluiten zouden afsluiten
Perfectum heb afgesloten hebt afgesloten heeft afgesloten hebben afgesloten hebben afgesloten hebben afgesloten
Voltooid verleden tijd had afgesloten had afgesloten had afgesloten hadden afgesloten hadden afgesloten hadden afgesloten
Toekomende tijd II zal afgesloten hebben zult afgesloten hebben zal afgesloten hebben zullen afgesloten hebben zullen afgesloten hebben zullen afgesloten hebben
Conditionalis II zou hebben afgesloten zou hebben afgesloten zou hebben afgesloten zouden hebben afgesloten zouden hebben afgesloten zouden hebben afgesloten
Imperatief - sluit af - - sluit af -
translation - afsluiten translate | Dutch dictionary

synonyms for afsluiten

afgrendelen
afzetten, barricaderen, blokkeren, versperren
op slot doen
sluiten
afdammen
dichtdraaien
beëindigen
besluiten
afzonderen
afzonderen [v]
All Synonyms for afsluiten

 

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000