Dutch
Portuguese
Verb forms of afsloffen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afsloffend | und | afgesloft |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | slof af | sloft af | sloft af | sloffen af | sloffen af | sloffen af |
| Imperfect | slofte af | slofte af | slofte af | sloften af | sloften af | sloften af |
| Toekomende tijd I | zal afsloffen | zult afsloffen | zal afsloffen | zullen afsloffen | zullen afsloffen | zullen afsloffen |
| Conditionalis I | zou afsloffen | zou afsloffen | zou afsloffen | zouden afsloffen | zouden afsloffen | zouden afsloffen |
| Perfectum | heb afgesloft | hebt afgesloft | heeft afgesloft | hebben afgesloft | hebben afgesloft | hebben afgesloft |
| Voltooid verleden tijd | had afgesloft | had afgesloft | had afgesloft | hadden afgesloft | hadden afgesloft | hadden afgesloft |
| Toekomende tijd II | zal afgesloft hebben | zult afgesloft hebben | zal afgesloft hebben | zullen afgesloft hebben | zullen afgesloft hebben | zullen afgesloft hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgesloft | zou hebben afgesloft | zou hebben afgesloft | zouden hebben afgesloft | zouden hebben afgesloft | zouden hebben afgesloft |
| Imperatief | - | slof af | - | - | sloft af | - |
- afslijpen
- afslijten
- afslijting
- afslingeren
- afslippen
afsloffen
- afslonzen
- afslopen
- afslorpen
- afsloten
- afsloven
- afsluipen
- afsluiten
- afslurpen
- afsmakken
- afsmeden
- afsmeken
- afsmelten
- afsmeren
- afsmetten
- afsmijten
- afsnauwen
- afsnellen
- afsnijden
- afsnijden van
- afsnijding
- afsnipperen
- afsnoeien
- afsnoepen
- afsnoeren
- afsnorren

