Dutch
Portuguese
Verb forms of afslenteren
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afslenterend | und | afgeslenterd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | slenter af | slentert af | slentert af | slenteren af | slenteren af | slenteren af |
| Imperfect | slenterde af | slenterde af | slenterde af | slenterden af | slenterden af | slenterden af |
| Toekomende tijd I | zal afslenteren | zult afslenteren | zal afslenteren | zullen afslenteren | zullen afslenteren | zullen afslenteren |
| Conditionalis I | zou afslenteren | zou afslenteren | zou afslenteren | zouden afslenteren | zouden afslenteren | zouden afslenteren |
| Perfectum | ben afgeslenterd | bent afgeslenterd | is afgeslenterd | zijn afgeslenterd | zijn afgeslenterd | zijn afgeslenterd |
| Voltooid verleden tijd | was afgeslenterd | was afgeslenterd | was afgeslenterd | waren afgeslenterd | waren afgeslenterd | waren afgeslenterd |
| Toekomende tijd II | zal afgeslenterd zijn | zult afgeslenterd zijn | zal afgeslenterd zijn | zullen afgeslenterd zijn | zullen afgeslenterd zijn | zullen afgeslenterd zijn |
| Conditionalis II | zou zijn afgeslenterd | zou zijn afgeslenterd | zou zijn afgeslenterd | zouden zijn afgeslenterd | zouden zijn afgeslenterd | zouden zijn afgeslenterd |
| Imperatief | - | - | - | - | - | - |
- afslaan
- afslachten
- afslag
- afslanken
- afslechten
afslenteren
- afslepen
- afsleuren
- afslibben
- afslibberen
- afslieren
- afslijpen
- afslijten
- afslijting
- afslingeren
- afslippen
- afsloffen
- afslonzen
- afslopen
- afslorpen
- afsloten
- afsloven
- afsluipen
- afsluiten
- afslurpen
- afsmakken
- afsmeden
- afsmeken
- afsmelten
- afsmeren
- afsmetten

