afrollen
has one meaning
Dutch
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verbformen von afrollen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afrollend | und | afgerold |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | rol af | rolt af | rolt af | rollen af | rollen af | rollen af |
| Imperfect | rolde af | rolde af | rolde af | rolden af | rolden af | rolden af |
| Toekomende tijd I | zal afrollen | zult afrollen | zal afrollen | zullen afrollen | zullen afrollen | zullen afrollen |
| Conditionalis I | zou afrollen | zou afrollen | zou afrollen | zouden afrollen | zouden afrollen | zouden afrollen |
| Perfectum | heb afgerold | hebt afgerold | heeft afgerold | hebben afgerold | hebben afgerold | hebben afgerold |
| Voltooid verleden tijd | had afgerold | had afgerold | had afgerold | hadden afgerold | hadden afgerold | hadden afgerold |
| Toekomende tijd II | zal afgerold hebben | zult afgerold hebben | zal afgerold hebben | zullen afgerold hebben | zullen afgerold hebben | zullen afgerold hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgerold | zou hebben afgerold | zou hebben afgerold | zouden hebben afgerold | zouden hebben afgerold | zouden hebben afgerold |
| Imperatief | - | rol af | - | - | rolt af | - |
- afroeien
- afroepen
- afroesten
- afroffelen
- afroken
afrollen
- afrollen van
- afromen
- afronden
- afronding
- afronselen
- afrooien
- afrossen
- afrossing
- afrotten
- afroven
- afruien
- afruilen
- afruimen
- afruisen
- afrukken
- afsabbelen
- afsabberen
- afsabelen
- afsappelen
- afschaduwen
- afschaffen
- afschaffing
- afschakelen
- afschaken
- afschalen

