Dutch
Portuguese
Verb forms of afreden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afredend | und | afgereed |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | reed af | reedt af | reedt af | reden af | reden af | reden af |
| Imperfect | reedde af | reedde af | reedde af | reedden af | reedden af | reedden af |
| Toekomende tijd I | zal afreden | zult afreden | zal afreden | zullen afreden | zullen afreden | zullen afreden |
| Conditionalis I | zou afreden | zou afreden | zou afreden | zouden afreden | zouden afreden | zouden afreden |
| Perfectum | heb afgereed | hebt afgereed | heeft afgereed | hebben afgereed | hebben afgereed | hebben afgereed |
| Voltooid verleden tijd | had afgereed | had afgereed | had afgereed | hadden afgereed | hadden afgereed | hadden afgereed |
| Toekomende tijd II | zal afgereed hebben | zult afgereed hebben | zal afgereed hebben | zullen afgereed hebben | zullen afgereed hebben | zullen afgereed hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgereed | zou hebben afgereed | zou hebben afgereed | zouden hebben afgereed | zouden hebben afgereed | zouden hebben afgereed |
| Imperatief | - | reed af | - | - | reedt af | - |
- afrasteren
- afrastering
- afratelen
- afrazen
- afreageren
afreden
- afregelen
- afregenen
- afreiken
- afreizen
- afrekenen
- afrekenen met
- afremmen
- afrennen
- afrepelen
- afrepen
- africhten
- africhter
- africhtster
- afrijden
- afrijgen
- afrijten
- afrijzelen
- afrijzen
- Afrika
- Afrikaans
- afrikaniseren
- afrikanizeren
- afrillen
- afrissen
- afristen

