afraden
has one meaning
Dutch
English
French
Italian
Spanish
Portuguese
Swedish
Verb forms of afraden
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afradend | und | afgeraden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | raad af | raadt af | raadt af | raden af | raden af | raden af |
| Imperfect | ried af | ried af | ried af | rieden af | rieden af | rieden af |
| Toekomende tijd I | zal afraden | zult afraden | zal afraden | zullen afraden | zullen afraden | zullen afraden |
| Conditionalis I | zou afraden | zou afraden | zou afraden | zouden afraden | zouden afraden | zouden afraden |
| Perfectum | heb afgeraden | hebt afgeraden | heeft afgeraden | hebben afgeraden | hebben afgeraden | hebben afgeraden |
| Voltooid verleden tijd | had afgeraden | had afgeraden | had afgeraden | hadden afgeraden | hadden afgeraden | hadden afgeraden |
| Toekomende tijd II | zal afgeraden hebben | zult afgeraden hebben | zal afgeraden hebben | zullen afgeraden hebben | zullen afgeraden hebben | zullen afgeraden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgeraden | zou hebben afgeraden | zou hebben afgeraden | zouden hebben afgeraden | zouden hebben afgeraden | zouden hebben afgeraden |
| Imperatief | - | raad af | - | - | raadt af | - |
- afprijzen
- afprikken
- afpulken
- afpunten
- afrabbelen
afraden
- afrading
- afrafelen
- afraffelen
- afragen
- afraken
- afraken van
- aframmelen
- aframmeling
- afranden
- afranselen
- afranseling
- afrapen
- afraspen
- afrasteren
- afrastering
- afratelen
- afrazen
- afreageren
- afreden
- afregelen
- afregenen
- afreiken
- afreizen
- afrekenen
- afrekenen met

