Dutch
Portuguese
Verb forms of afpraten
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afpratend | und | afgepraat |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | praat af | praat af | praat af | praten af | praten af | praten af |
| Imperfect | praatte af | praatte af | praatte af | praatten af | praatten af | praatten af |
| Toekomende tijd I | zal afpraten | zult afpraten | zal afpraten | zullen afpraten | zullen afpraten | zullen afpraten |
| Conditionalis I | zou afpraten | zou afpraten | zou afpraten | zouden afpraten | zouden afpraten | zouden afpraten |
| Perfectum | heb afgepraat | hebt afgepraat | heeft afgepraat | hebben afgepraat | hebben afgepraat | hebben afgepraat |
| Voltooid verleden tijd | had afgepraat | had afgepraat | had afgepraat | hadden afgepraat | hadden afgepraat | hadden afgepraat |
| Toekomende tijd II | zal afgepraat hebben | zult afgepraat hebben | zal afgepraat hebben | zullen afgepraat hebben | zullen afgepraat hebben | zullen afgepraat hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgepraat | zou hebben afgepraat | zou hebben afgepraat | zouden hebben afgepraat | zouden hebben afgepraat | zouden hebben afgepraat |
| Imperatief | - | praat af | - | - | praat af | - |
- afpompen
- afponden
- afprakkeseren
- afprakkezeren
- afpramen
afpraten
- afpreken
- afprevelen
- afprijzen
- afprikken
- afpulken
- afpunten
- afrabbelen
- afraden
- afrading
- afrafelen
- afraffelen
- afragen
- afraken
- afraken van
- aframmelen
- aframmeling
- afranden
- afranselen
- afranseling
- afrapen
- afraspen
- afrasteren
- afrastering
- afratelen
- afrazen

