Dutch
Portuguese
Verb forms of afpeuzelen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afpeuzelend | und | afgepeuzeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | peuzel af | peuzelt af | peuzelt af | peuzelen af | peuzelen af | peuzelen af |
| Imperfect | peuzelde af | peuzelde af | peuzelde af | peuzelden af | peuzelden af | peuzelden af |
| Toekomende tijd I | zal afpeuzelen | zult afpeuzelen | zal afpeuzelen | zullen afpeuzelen | zullen afpeuzelen | zullen afpeuzelen |
| Conditionalis I | zou afpeuzelen | zou afpeuzelen | zou afpeuzelen | zouden afpeuzelen | zouden afpeuzelen | zouden afpeuzelen |
| Perfectum | heb afgepeuzeld | hebt afgepeuzeld | heeft afgepeuzeld | hebben afgepeuzeld | hebben afgepeuzeld | hebben afgepeuzeld |
| Voltooid verleden tijd | had afgepeuzeld | had afgepeuzeld | had afgepeuzeld | hadden afgepeuzeld | hadden afgepeuzeld | hadden afgepeuzeld |
| Toekomende tijd II | zal afgepeuzeld hebben | zult afgepeuzeld hebben | zal afgepeuzeld hebben | zullen afgepeuzeld hebben | zullen afgepeuzeld hebben | zullen afgepeuzeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgepeuzeld | zou hebben afgepeuzeld | zou hebben afgepeuzeld | zouden hebben afgepeuzeld | zouden hebben afgepeuzeld | zouden hebben afgepeuzeld |
| Imperatief | - | peuzel af | - | - | peuzelt af | - |
- afpersen
- afperser
- afpersing
- afpersster
- afpeuteren
afpeuzelen
- afpijnen
- afpijnigen
- afpikken
- afpingelen
- afpitsen
- afplaggen
- afplakband
- afplakken
- afplatten
- afpleiten
- afplekken
- afpletten
- afploegen
- afploffen
- afplooien
- afpluizen
- afplukken
- afplunderen
- afpoeieren
- afpoetsen
- afpolderen
- afpompen
- afponden
- afprakkeseren
- afprakkezeren

